Het geboortemaand-effect in de Nederlandse opleidingen
- Auteur
- Redactie
- Datum
- Leestijd
- 5 min
- Linie
- Eredivisie
Het is de droom van iedere jongen: gescout worden voor een profclub. Als talent doorloop je de hele jeugdopleiding en, als je uiteindelijk een jaar of achttien bent, val je in tijdens een competitieduel van je opleidingsclub. Dit traject geldt niet voor iedere speler, mede omdat de geboortemaand een grote rol speelt, het zogenaamde geboortemaand-effect. Spelers die eerder in het jaar geboren zijn, vallen sneller op door hun voorsprong op jonge leeftijd en belanden zodoende sneller in de notitieblokjes van de voetbalscouts.
Noot: alleen de geboortedata van de Eredivisionisten Ajax, AZ, Feyenoord, FC Groningen, SC Heerenveen, NAC Breda, PSV en FC Utrecht waren beschikbaar. Omdat de jeugd van Sparta ook hoog staat aangeschreven, zijn de Rotterdammers als negende team toegevoegd.
Allereerst kort terug naar de basis van het geboortemaand-effect. Een speler die op 1 januari ter wereld is gekomen, is volgens de clubs net zo oud als een speler die op 31 december is geboren. Hoewel de spelers als ‘even oud’ worden behandeld, is dit in feite niet het geval: ze schelen namelijk een heel jaar. Op latere leeftijd is dit verschil bijna verwaarloosbaar, maar voor de jeugd geldt dit níét. Sterker nog: voor een zevenjarige kan een latere geboortedatum het verschil betekenen tussen aanklampen of afhaken.
Uit eerder onderzoek kwam al naar voren dat ongeveer 32% van alle profvoetballers in Nederland geboren is in de eerste drie maanden van het jaar. Daartegenover staat dat ‘slechts’ 18% van de spelers in de Eredivisie en de Jupiler League in de laatste maanden van het jaar op de wereld is gezet. In het betaalde voetbal spelen dus ongeveer twee keer zoveel spelers uit januari, februari of maart, dan uit oktober, november of december.
De verschillen in het jeugdvoetbal zijn echter nog groter. Gemiddeld genomen komen twee op de vijf voetballers, bijna de helft, uit de eerste maanden van het jaar. Dat is ruim 26% meer dan bij de profs. In de laatste maanden is dit juist andersom: met slechts 11,8% (iets meer dan één op de negen) scoort de jeugd ruim 34% lager dan de profs. De jeugdopleidingen van Nederlandse profclubs bevatten bijna vier keer zoveel spelers uit januari, februari of maart dan uit oktober, november of december.

Topclubs selectiever dan subtopclubs
Het jeugdvoetbal in Nederland kent op het gebied van kwaliteitserkenning dus een structureel probleem: veel voetballers zijn vroeg in het jaar geboren, terwijl de ‘latertjes’ ruim in ondertal zijn. Toch zijn de problemen niet bij alle clubs van grote aard.
De jeugd van FC Groningen wordt namelijk het minst gekenmerkt door verschillen in de geboortemaand. Waar de Trots van het Noorden procentueel al de minste spelers uit de eerste maanden heeft, zijn ook relatief veel spelers aan het einde van het jaar geboren. Het verschil tussen kwartaal 1 en kwartaal 4 is bij de groen-witten dus het kleinst, namelijk 16,9 procentpunten. Net als FC Groningen heeft ook streekgenoot SC Heerenveen weinig spelers uit januari, februari of maart. Toeval? Niet echt. Beide clubs komen uit de noordelijke provincies van het land. Over het algemeen zijn hier minder amateurclubs te vinden dan in de rest van Nederland. De vijver voor Groningen en Heerenveen is kleiner en de clubs hebben niet de mogelijkheid hun jeugdelftallen te vullen met alleen maar spelers uit januari, februari of maart. Tevens bleek uit onderzoek van tijdschrift De Voetbaltrainer dat goede amateurverenigingen in Noord-Nederland in mindere mate aanwezig zijn, in vergelijking met de rest van Nederland.

Een opvallend feit is dat de verschillen in de jeugdopleidingen van PSV en Ajax relatief het grootst zijn. Zowel de Eindhovenaren als de Amsterdammers hebben bijna zes (!) keer zoveel ‘oude’ spelers in hun opleiding dan ‘jonge’. Vooral de resultaten van de regerend landskampioen zijn bijzonder: de opleiding van Ajax staat wereldwijd hoog aangeschreven, maar relatief gezien lopen er de minste voetballertjes uit het vierde kwartaal op De Toekomst (7,3%).
Ook bij AZ zijn er interessante resultaten te zien. De Alkmaarders proberen het geboortedatum-effect te ontwijken door naar de biologische leeftijd van een speler te kijken. Zo wordt een speler tijdens trainingen geplaatst bij spelers die fysiologisch vergelijkbaar zijn. Het gevolg is dus dat een speler zich niet meet met leeftijdsgenootjes, maar krachtgenootjes. Ondanks dat 43% van de jeugdspelers geboren is in het eerste kwartaal, toont AZ prima cijfers in het vierde kwartaal (15,7%), in vergelijking tot de andere jeugdopleidingen.
Opleiden verkleint verschillen
Niet alle jeugdopleidingen kunnen dezelfde cijfers voorleggen als FC Groningen of AZ. De vraag is: waar gaat het eigenlijk mis? Zijn de scouts, de mensen die de spelers aanleveren, schuldig aan de problemen? Of laten de beleidsbepalers zich veelal beïnvloeden door de relatieve voorsprongen van oudere spelers binnen de jeugdopleiding?
De kans dat het probleem op het bestuurlijke vlak ligt, is klein. Waar ongeveer 42% van de D-spelers geboren is in januari, februari of maart, ligt dit percentage in de A op een kleine 39%. Alleen bij de B-jeugd is het aantal kleiner: bijna 37% van de 16- en 17-jarige voetballers komt uit de eerste periode van het jaar. Voor hogere lichtingen geldt dus dat er relatief minder ‘oude’ spelers zijn. Het tegenovergestelde geldt juist voor de slotmaanden. Waar ongeveer één op de tien D-spelers geboren is in oktober, november of december, stijgt dit aantal mettertijd geleidelijk naar één op de zeven. Voor de pupillen is de leeftijdsverdeling oneerlijker dan voor de junioren. Dit lijkt ook compleet in lijn te liggen met de logica achter het geboortemaand-effect: hoe ouder een persoon wordt, hoe minder de invloed is van de geboortemaand.

De spelers uit de huidige Eredivisie zijn voornamelijk geboren in de eerste maanden van het jaar, terwijl slechts een handjevol voetballers uit oktober, november of december komt. Het probleem ligt echter veel dieper dan alleen de eerste elftallen. Sterker nog: in vergelijking met de jeugdteams valt het geboortemaand-effect bij de senioren best wel mee. Vooral in de D-jeugd is het verschil erg groot: bijna de helft van de spelers is vroeg in het jaar geboren, slechts ééntiende laat in het jaar. Naar mate een speler in een hoger elftal speelt, wordt de invloed van de geboortemaand steeds kleiner. Hoewel het goed is dat het effect kleiner wordt wanneer een speler ouder wordt, blijft het natuurlijk een kwalijke zaak dat de verschillen op jonge leeftijd zo enorm zijn. Een decemberkind hoeft immers niet minder te zijn dan een speler uit januari. AZ probeert al het goede voorbeeld te geven door minder naar leeftijden te kijken. Zullen er snel meer BVO’s volgen?